Een bacteriële blaasinfectie

Een bacteriële blaasinfectie zien we geregeld bij honden, met name teven, en geregeld bij oudere katten (ook vaker poezen). Bij jonge katten is een bacteriële infectie van de urinewegen zeer zeldzaam.

Hoe komt dit? Katten kunnen, in tegenstelling tot honden, hun urine uitermate sterk en goed concentreren. Zo zien we bij de hond een urine soortelijk gewicht (dit geeft de concentratie van de urine aan) van tussen de 1010-1045. Bij katten daarentegen zien we concentraties tussen de 1010-1090! Meestal is de concentratie bij een (gezonde) kat boven de 1040. In dit milieu gedijen bacteriën heel slecht.
Als een kat ouder wordt gaat dit concentrerend vermogen van de nieren meestal langzaam achteruit. Daarom zien we bij oudere katten(poezen), meestal ouder dan 10 jaar, wel geregeld blaasinfecties. Een bacteriële blaasontsteking die niet behandeld wordt kan uitmonden in een infectie in de nieren. Hierdoor kan, indien dit onopgemerkt blijft, nierfalen (zie ook nierfalen hond of nierfalen kat) ontstaan.

Bij een bacteriële blaasinfectie ruikt de urine vaak vies en wordt deze troebel. Ook kan er bloed bij de urine zitten. Bij katten is het niet zeldzaam dat de eigenaar helemaal niets heeft gemerkt aan de kat. Ook bij honden wordt een blaasinfectie niet altijd opgemerkt.

Bij een bacteriële blaasinfectie is het belangrijk te weten welke bacterie er in de blaas groeit en waarvoor deze gevoelig is. We zetten daarom het liefst een kweek in van de urine en doen een gevoeligheidstest van de bacterie. Hierdoor weten we welk antibioticum het beste voorgeschreven kan worden. Na de kuur doen we het liefst een urinecontrole en controlekweek. We weten dan zeker dat de infectie helemaal verdwenen is. Ook is het belangrijk uit te sluiten dat er een onderliggende oorzaak is voor de infectie. De meest voorkomende is een blaassteen ( zie ook blaasstenen bij de hond en blaasstenen bij de kat).

Oudere poezen hebben geregeld een bacteriële blaasontsteking.