Protocol behandeling chronische nierinsufficiëntie bij Caressa

Protocol behandeling CNI bij hond en kat conform IRIS met modificatie conform Boerhinger nierpanel.

  • De diagnose van een nierprobleem wordt gesteld aan de volgende factoren:
  • Een serum creatinine van >140 (kat) of 125 (hond) micromol/l in combinatie met een gedaald SG van de urine; <1035 (kat) of <1030 (hond).
  • Een minimaal 2x gestegen UPC met twee weken interval. Andere oorzaken (infectie, koorts e.d.) moeten uitgesloten worden. Hierbij gelden de volgende criteria: <0.2: geen proteïnurie. 0.2-0.4: Grensgeval. >0.4: proteïnurie.
  • Onregelmatig aanvoelende nieren, afwijkend nierbiopt, afwijkend echografisch beeld.
  • Iedere nierpatiënt wordt ingedeeld volgens de IRIS kwalificatie. Hierin zijn 4 classificaties onder te verdelen:
    • Creatinine is <125 (hond) of 140 (kat) maar er is wel sprake van:
      • Afwijkend echobeeld
      • Gestegen UPC
      • Afwijkende nierpalpatie
      • Inadequaat concentrerend vermogen
      • Afwijkend nierbiopt
      • Schade in het verleden opgetreden
    • Creatinine is >125 maar <180 (hond of >140 maar <250 (kat.
    • Creatinine is >180 maar <440 (hond of >250 maar <440
    • Creatinine is >440.
  • Iedere nierpatiënt krijgt (minimaal) de volgende onderzoeken (aangeboden):
  • Chemie: Ureum, Creatinine, Fosfor
  • Zouten: Na/K/Cl,Ca
  • Bloedcellen: Lasercyte
  • Bloeddrukmeting en fundusscopie
  • Urine: SG, UPC, kweek, microscopie, strip.
  • Echo abdomen
  • De richtlijn voor controles van een nierpatiënten hangt af van de IRIS stagering. Tijdens deze controles dienen alle bovenstaande testen uitgevoerd te worden behalve een echografie van het abdomen. De onderzoek frequentie dient te zijn:
    • Iris 1: 2x per jaar
    • Iris 2: 2-4 x per jaar, richtlijn 3 x.
    • Iris 3 en 4: minimaal 4 x per jaar.
  • Iedere nierpatiënt krijgt minimaal de volgende therapie:
    • Een nierdieet.
    • Fosforbinders. Als het serumfosfor bij aanvang boven de 1,5 is dient deze na 2 weken gecontroleerd te worden na start van een nierdieet. Als het serumfosfor gehalte boven de 1,5 blijft worden fosforremmers in de volgende voorkeursvolgorde voorgeschreven:
      • Pronefra
      • Ipakitine
      • Calciumcarbonaat
      • a,b,c kunnen met d gecombineerd worden.

NB: start deze medicatie langzaam op en geef niet meteen de maximale hoeveelheid maar eerst een klein beetje. Dit vergroot de kans op acceptatie! Het streven is een serumfosforspiegel < 1,5. Bij IRIS 3 en 4 is 1,9 realistischer.

  • Bloeddrukverlagers. Deze worden gestart als:
      • De bloeddruk minimaal 2x met een week interval boven de 160 mm HG is met een normale funduscopie.
      • Als de bloeddruk <160 mm HG is maar er wel een afwijkende fundusscopie is.
      • De bloeddruk boven de 180 mm HG is en er geen sprake lijkt te zijn van een “white coat effect”.
      • Eerste keuze is amlodipine (volgens de cascade regeling zou je eigenlijk Semintra moeten kiezen). De dosis is 0.625 mg voor een kat<4kg en 1.25 mg voor een kat >4 kg. De dosis wordt bepaald op geleide van bloeddrukcontroles. Amlodipine kan eventueel gecombineerd worden met Semintra, een ACE remmer of atenolol. Voor de mildere hypertensiepatiënten kan Semintra gegeven worden aan 1 tot 2 mg/kg. Het maximale effect treedt op na een maand. Bij de hond is de eerste keuze een ACE remmer.
  • Proteïnurieremmers. Deze worden gegeven als er sprake is van een UPC>0.2. Eerste keuze is Semintra aan 1 ml/4 kg.
  • IV therapie. Zie eerder. Bedoeld voor patiënten die niet meer eten en drinken.

Belangrijke extra noot: Bij acute nierinsufficiëntie nooit bloeddrukverlagers of proteïnurieremmers geven!

s