Suikerziekte of diabetes bij de hond

Suikerziekte, ook wel diabetes mellitus (of kortweg diabetes) komt soms voor bij honden. Het is een ziekte die over het algemeen goed te behandelen is en soms te genezen. Diabetes bij de hond kan namelijk soms genezen worden als de onderliggende oorzaak weg genomen kan worden (zie ook oorzaak van diabetes). De oorzaak is een (relatief) tekort aan insuline.

Als de ziekte niet meer genezen kan worden kunnen honden echter wel goed behandeld worden met insuline (caninsulin). Het vergt natuurlijk wel wat inspanning van het baasje, maar deze honden hebben verder over het algemeen een goed leven.

Wij zien in onze dierenziekenhuizen veel internistische patienten waaronder suikerpatiënten. Daarom hebben wij voor onze klanten (en bezoekers van onze website) de belangrijkste informatie over suikerziekte overzichtelijk op een rij gezet. Mocht u echter nog vragen hebben neem dan natuurlijk te allen tijde contact met ons op! 

Wat is suikerziekte bij de hond?

Bij suikerziekte of diabetes mellitus is er een probleem in de suiker- en insulinehuishouding van de hond. Normaliter wordt suiker in de cel opgenomen onder invloed van het hormoon insuline. Dit hormoon wordt in de alvleesklier aangemaakt.
De alvleesklier of pancreas is een klier die twee functies heeft: een endocriene functie ofwel een hormoonproducerende functie, en een exocriene functie. Deze laatste houdt in dat er verteringsenzymes aangemaakt worden die in de dunne darm uitgescheiden worden.
Bij diabetes is er een probleem met de endocriene functie. De hormonen insuline en glucagon worden in de alvleesklier geproduceerd in de eilandjes van Langerhans. Insuline wordt in de bèta cellen geproduceerd in de eilandjes van Langerhans. Bij suikerziekte is er een (relatief) te kort aan insuline. De alvleesklier ligt tegen de twaalfvingerige darm en de maag een.

Indien er een tekort is aan insuline kan suiker niet meer opgenomen worden in de cel. Hierdoor blijft het suiker in de bloedbaan, waardoor het suikergehalte in het bloed stijgt. Daarom meet je bij suikerziekte een verhoogd gehalte aan suiker (glucose) in het bloed.

alvleesklier hond

de alvleesklier. De alvleesklier (pancreas) produceert enzymes voor de vertering en hormonen om de suikerhuishouding te regelen.

Hoe krijgt een hond diabetes?

Er zijn twee types diabetes: type 1 en type 2.

  • Bij type 1 suikerziekte zijn/worden de bèta cellen door het eigen lichaam vernietigd. Hierdoor wordt er geen of te weinig insuline geproduceerd. Deze aandoening komt het meest voor bij honden.
  • Bij type 2 suikerziekte, welke we het meest zien bij de kat, reageren de lichaamscellen slechter op insuline. Dit zien we bijvoorbeeld bij katten met overgewicht. Ook (langdurig) corticosteroïden gebruik zoals prednison of dexamethason kan diabetes veroorzaken. Bij honden zien we deze vorm van suikerziekte ontstaan na de loopsheid door hormoonproblemen.

Andere mogelijke oorzaken van diabetes mellitus zijn:

  • genetische aanleg
  • acute of chronische alvleesklierontsteking
  • infecties
  • medicijnen (bijvoorbeeld corticosteroïden zoals prednison)
  • De ziekte van Cushing 

 Welke symptomen heeft een hond met suikerziekte?

Hieronder zullen alleen de symptomen van diabetes mellitus (suikerziekte) besproken worden. Indien er een andere onderliggende oorzaak aanwezig is voor de suikerziekte, kunnen er nog meer symptomen zijn.De symptomen van suikerziekte zijn:

  • Veel drinken en plassen
  • Gewichtsverlies
  • Vergrote eetlust. Later kan de eetlust verminderen als de hond of kat zieker wordt doordat er geen of geen goede behandeling ingesteld is.
  • Gevoeliger voor urineweginfecties. Daarom voeren onze dierenartsen altijd een urineonderzoek uit bij suikerpatiënten.
  • Een ketotische mondlucht. Ketonlichamen worden gevormd bij suikerpatiënten vanuit vetten. Deze geven een mondlucht die het meest lijkt op aceton.
Veel-drinken-hond

Veel drinken hond Honden drinken veel als ze suikerziekte hebben.

Intensieve opname patiënten in het Dierenziekenhuis

Hoe stellen we de diagnose van diabetes bij honden?

De diagnose van suikerziekte kan gesteld worden aan de hand van de symptomen zoals hierboven beschreven. Bloedonderzoek is essentieel om de definitieve diagnose te stellen. In het bloed vinden we:

  • Een verhoogd suikergehalte.
  • Een verhoogd fructosamine gehalte. Fructosamine is een eiwit in het bloed dat onder invloed van insuline geglycosyleerd (een verbinding met suiker) wordt. Fructosamine stijgt als er gedurende een langere periode een hoog suikergehalte in het bloed is. Hierdoor is het minder afhankelijk van pieken in het suikergehalte die door andere oorzaken ontstaan. Met name katten kunnen onder invloed van stress snel een verhoogd suikergehalte krijgen. Helaas zijn veel katten bij de dierenartsen gestresst.
  • Een te laag kaliumgehalte. De gevormde ketonlichamen maken het bloed zuurder (acidosis) waardoor de lichaamscellen kalium verliezen. Tevens zorgt het vele plassen voor een verlies van kalium. Daarom zien we bij honden die langer onbehandeld met suikerziekte rondlopen vaak een laag kalium gehalte. Hierdoor ontstaat spierzwakte. Honden worden hierdoor zeer zwak, omdat kalium belangrijk is voor een goed werkende spierfunctie. Dit kan het beste behandeld worden via een intraveneus infuus.
  • Laag fosfor. Dit ontstaat op het moment dat we dieren gaan behandelen. Indien onopgemerkt kan dit tot levensbedreigende bloedafbraak leiden. Daarom meten we bij suikerpatiënten geregeld het fosfor en kaliumgehalte om te beoordelen of alles goed gaat.

Daarnaast doen onze dierenartsen altijd een urine onderzoek. In de urine vinden we soms naast glucose een bacteriële infectie. Tevens kunnen we ketonlichamen vinden. Deze laatste bevestigen de diagnose van suikerziekte.

De behandeling van suikerziekte bij honden.

De behandeling van diabetes mellitus (suikerziekte) bestaat uit verschillende onderdelen. Hieronder worden de belangrijkste beschreven.

  • Insuline toedienen. Dit is nodig als er geen of te weinig insuline aangemaakt wordt in de alvleesklier. Caninsuline is het enige middel dat voor de hond geregistreerd is.
  • Een aangepast dieet. Koolhydraten en zetmeel zijn lange suikerketens. Diëten die veel van deze voedingsstoffen bevatten zullen dus zorgen voor een grotere schommeling in het bloedsuikergehalte. Voor een suikerpatiënt is dit slecht, omdat deze zijn of haar suikergehalte zelf niet kan regelen. Daarom is een goed dieet erg belangrijk in de behandeling van suikerziekte. Dit dient koolhydraat arm te zijn en vezelrijk. Vezels stimuleren het afvallen en remmen de suikeropname vanuit de darm. Hierdoor zal de hond een stabieler suikergehalte krijgen.
  • Medicatie toedienen. Deze werken alleen als er nog werkende bèta cellen zijn. Glipizide wordt het meest gebruikt. Dit medicijn stimuleert de aanmaak van insuline. Het wordt weinig gebruikt in de diergeneeskunde en is momenteel niet meer te verkrijgen.
  • Intensive zorg. Dieren die langere tijd niet behandeld zijn of niet goed behandeld zijn kunnen verschillende complicaties krijgen zoals een laag kalium (dit uit zich in erge spierzwakte), ketoacidosis en een laag fosforgehalte in het bloed. Deze dieren zijn vaak erg ziek en moeten opgenomen worden voor intensieve zorg.
  • Sterilisatie bij een teef (eigenlijk castratie). Bij een teef kan de oorzaak van het ontstaan van suikerziekte hormonaal zijn. Een niet gecastreerde teef die suikerziekte ontwikkelt kan soms genezen als ze snel gecastreerd wordt.
  • Behandeling onderliggende oorzaken. De ziekte van Cushing bijvoorbeeld kan aan de grondslag liggen van de suikerziekte (meestal bij de hond). Bij de ziekte van Cushing wordt er teveel bijnierschorshormoon geproduceerd. dit kan weer suikerziekte tot gevolg hebben.

Honden met suikerziekte dienen goed onder controle te staan van een dierenarts. Het baasje kan echter thuis een (groot) deel van deze controle op zich nemen. Zelf het suikergehalte controleren kan hierbij helpen. Wij helpen de baasjes meestal hierbij (door goed uit te leggen hoe je bloedcontroles thuis kan uitvoeren). Het blijft echter wel belangrijk ook controles door een dierenarts te laten uitvoeren. Een richtlijn hiervoor is (als een hond goed onder controle is) 4x per jaar.